Skip to content

Er valt wat te beleven tussen votum en zegen

‘Hoe sprong mijn hart hoog op in mij, toen men mij zeide:
gort u aan, om naar des Heren huis te gaan!’ (Psalm 122)

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar het lijkt mij sterk dat de meesten van ons op een doorsnee zondagmorgen vrolijk wakker worden met de gedachte: ‘hoera, het is weer kerk vandaag!’.
En toch, de wekelijkse samenkomst van de gemeente van Christus op de eerste dag van de week, een dag die al vanaf het begin van de kerk als de dag van de opstanding wordt gevierd, die dag is voor velen nog altijd het hart van het christelijk geloof, zelfs van de kerk. De kerk als een gemeenschap van mannen en vrouwen, jong en oud, welgesteld of geen cent te makken, hoogopgeleid of wat eenvoudiger van geest. We zijn nl. aan elkaar gegeven, niet omdat wij elkaar hebben uitgekozen, maar omdat wij ons geroepen weten getuigen van Gods Geest te zijn. Daartoe komen wij op zondag bij elkaar. Om ons geloof met elkaar te delen, om te leren, te vieren en om te aanbidden. Of zoals een ander lied uit ons mooie liedboek het zegt:

‘Zolang wij ademhalen, schept Gij in ons de kracht
om zingend te vertalen waartoe wij zijn gedacht’ (Lied 657).

Daarom dus, lang leve de kerk!
Maar hoe ziet zo’n samenkomst van de gemeente er dan uit?
Wat vieren wij dan met elkaar in de kerk of tijdens een kerkdienst op zondag?
Of eredienst, zoals de wekelijkse viering ook wel wordt genoemd.

Omdat dat niet voor iedereen meer altijd even duidelijk is hebben collega Bloemendaal en ik, in overleg met onze eigen werkgroep eredienst, besloten om daar de komende weken een paar artikeltjes aan te wijden in de Kern.
Ik bijt vandaag de spits af, met een eerste verkenning. En die gaat over de voorbereiding. Een voorbereiding die thuis dus al begint.
Van de dienstdoende voorganger mag je verwachten dat die zich er goed op voorbereidt.
Dat geldt ook voor de koster, die zorgt voor een gastvrij en warm onthaal. De organist, die de samenzang begeleidt, de leiding van de kindernevendienst en tienerkerk en van degene die de beamer bedient. Een goede voorbereiding onderstreept het hogere doel van de zondagse eredienst. Maar hoe zit je er zelf? Wat neem je mee aan emoties, sores en zorgen, verdriet en dingen waar je dankbaar voor bent? Wees je ervan bewust en deel ze van te voren ook zelf, thuis in een persoonlijk of in een gezamenlijk gebed. En bid daarbij voor een goede dienst!

Laat je vervolgens, eenmaal aangekomen bij de kerk, verrassen door de dingen die komen.
De ontmoeting met medegelovigen, in de prachtig vernieuwde en sterk uitgebreide nieuwe ontmoetingsruimte bij de kerk, het zingen vooraf aan de dienst ‘om er alvast in te komen’.
Totdat de vertegenwoordiging van de kerkenraad aantreedt, die zich intussen ook al biddend had voorbereid. Nadat een aantal dienstmededelingen en afkondigingen zijn gedaan begint vervolgens de eigenlijke eredienst. Met een handdruk, waarmee de kerkenraad symbolisch de volle verantwoordelijkheid neemt voor alles wat er zich verder voltrekt in deze dienst.
Een goede voorganger is zich daar terdege van bewust.
Daarna gaat de gemeente staan voor het zingen van het zogenaamde intochtslied.
Waarmee de intocht van de Aanwezige God wordt beleden en gevierd.
Meer daarover en wat er verder volgt tijdens de kerkdienst schrijft collega Bloemendaal in de volgende Kern.

Pastor Bouke van Brug

(Gepubliceerd in De Kern, 23 november 2018)

Gebrek aan kennis

‘Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis’. (Hosea 4:6)
Dat is Bijbelse taal, geloofstaal van Israël volgens de vorige Bijbelvertaling (NBG 1953).
Taal die zich niet altijd even gemakkelijk laat uitleggen. Kennen en kennen is namelijk twee. Onze zogenaamde kennis is heel wat anders dan wat de Bijbel schrijver ermee bedoelt. In de nieuwe Bijbelvertaling (NBV 2014) staat dan ook: ‘Mijn volk komt om doordat het met Mij niet vertrouwd is’. Dat is meer in de lijn van wat er staat, van wat ermee bedoeld wordt.

De profeet Hosea leefde en werkte ten tijde van koning Jerobeam II van Israël (783-743 voor Chr.). Een vrij lange regeerperiode, waarin het land tot grote bloei kon komen. Hij herstelde de landsgrenzen, zoals die in de tijd van David waren geweest (nog altijd een oud verlangen bij sommigen in Israël). Hij zorgde voor een ongekende welvaart in het land, met alle gevolgen van dien voor het eigen godsdienstige leven. Door de toenemende handel en daarmee gepaard gaande invloeden van andere culturen, werd de eigen Joodse godsdienst van binnenuit bedreigd. Baäl, de god van de héb, de god van het kapitaal zeg maar, van het materialisme, de god van het persoonlijk genot werd naast de God van het verbond met Israël, als een gelijkwaardige god aanbeden. Dat raakt Hosea diep, hij lijdt eronder, zoals je dat van een oprechte profeet verwachten mag.
Een volk komt om wanneer het met de omgang met God niet (meer) vertrouwd is, is zijn conclusie, dat is zijn oordeel over zijn eigen volk. En dat doet hem pijn. De grootste bedreiging voor zijn volk, komt volgens Hosea dan ook niet van buiten maar van binnenuit.

Vallen zijn woorden nog wel uit te leggen, zijn ze ook van toepassing op onze maatschappij?
Het is Bijbelse taal, ik weet het, taal van een oud volk, geloofstaal uit een ver verleden, jawel.
Je moet er daarom altijd voorzichtig mee zijn om al te vlot een actuele toepassing te maken. Bijbelwoorden laten zich niet altijd zo eenvoudig uitleggen, al beweren sommingen van wel.
En wat Hosea 4 betreft: kennen en kennen is inderdaad twee!

Ons kennen heeft veelal betrekking op informatie, heeft te maken met ons redelijke verstand, met dingen doorzien en begrijpen. Door studie voor mijn part, achter de waarheid zien te komen. Het Bijbelse kennen is echter veel meer dan dat. Het veronderstelt een ontmoeting, een persoonlijke relatie, ervaringskennis dus en die is subjectief van aard.
Aan objectieve kennis geen gebrek. Er is nog nooit een tijd geweest waarin je zo eenvoudig aan alle gewenste informatie kunt komen, waarmee we al het tastbare proberen te vangen.
Maar wat je bv. niet via het ‘World Wide Web‘ (www) te weten kunt komen, dat is de kennis van Gód, dat wil zeggen het persoonlijk ervaren van Zijn liefde en trouw, het gespitst zijn op Zijn daden, horen naar Zijn Woord, kortom zelf de Levende daadwerkelijk ontmoeten.

Afgelopen zondag, 15 juli zongen wij als afsluiting van de dienst in de Sionskerk, lied 689 uit de bundel van Johannes de Heer: ‘Wij hebben een machtige Heiland, die nimmer de zijnen vergeet. Laat ons van Zijn goedheid niet zwijgen, zorg toch dat ieder het weet’. Dat is per slot van rekening ook de boodschap van de kerk. De gemeente van Jezus Christus, die weet heeft van een liefdevolle God, die ons de mogelijkheid gegeven heeft om Hem van binnenuit te leren kennen. Zo’n gemeente heeft wel degelijk een boodschap voor de eigen samenleving. Als noodzakelijk tegengif in een eenzijdig op productie en consumptie gerichte maatschappij. Of komt de grootste bedreiging van de kerk misschien opnieuw van binnenuit?

(Gepubliceerd in De Kern, 20 juli 2018)

Pinksteren – Open Kerk

Anna zat voor het slapen gaan met haar moeder op de rand van het bed. Ze vertelt wat er die dag gebeurd is op school en dat de juf vertelde dat God er altijd was. Dat vraagt Anna zich af. Hoe kan dat nu? “Is Hij dan ook hier, nu op mijn kamer?”. Dat vindt haar moeder een lastige vraag.
“Eh, dat geloof ik wel ja”. ‘Maar ik kan Hem niet zien, hoe weet ik dan dat het zo is?”. Moeder denkt even na en zegt dan: “Kom, we doen een spelletje. Laten we het aanrakertje noemen. Raak eerst mijn armen maar eens aan”. Anna doet het?
“En dan nu mijn kin, dan mijn schouders, daarna mijn hoofd en dan nog mijn hart”.
Anna legt haar kleine handje op de borst van haar moeder. En tenslotte zegt ze: “Nu moet je mijn liefde proberen aan te raken”. Anna aarzelt en dan raakt ze opnieuw de armen en de borst van haar moeder aan. “Maar dat heb je net toch ook al gedaan?”. “Ja maar”, zucht Anna, “Hoe moet ik de liefde aanraken? Die is er toch gewoon?”. Moeder glimlacht. “Goed zo, ik denk dat het ook zo is met God”.

‘Vindplaatsen van hoop’ worden ze wel genoemd. Nieuwe initiatieven op de rand van en soms ver buiten de kerk. In al hun verscheidenheid en diversiteit laten ze iets zien van de veerkracht van het geloof. En van de vindingrijkheid van gelovigen, waarmee zij onbedoeld soms de basis legden voor nieuwe vormen van kerk zijn daarna. Wij constateren dat ook. Ikzelf doe dat al jaren. Tegen alle onderzoeksrapporten in. Ondanks een teruglopend kerkbezoek, ook bij ons, zien wij een groeiend verlangen, een behoefte aan spiritualiteit, nieuwe bezieling, gedrevenheid van binnenuit. Daar kan geen kerkelijke regelgeving tegenop.

Eigenlijk weet niemand wat er precies gebeurde, daar in die bovenzaal in Jeruzalem, vijftig dagen na Pasen. Toen Jezus zich, drie dagen na zijn dood aan het kruis, weer aan zijn leerlingen had laten zien. Maar de gevolgen waren wel zichtbaar en hoorbaar voor iedereen. In het Bijbelboek ‘Handelingen van de apostelen’ wordt er over verteld.
De omstanders hoorden een geluid ‘alsof er een hevige wind opstak’ en ze zagen iets ‘dat leek op vlammetjes’, die zich over de hoofden van de gelovigen verspreiden.

Het woord Pinksteren is trouwens afgeleid van het Griekse woord ‘pentakosta’, dat vijftig betekent. Vijftig dagen na Pasen dus blijken de leerlingen van Jezus in beweging gezet te worden. Door God, door Jezus misschien?

Toen een tijdje geleden in een interview aan de nieuwe minister van Financiën Wopke Hoekstra werd gevraagd of hij in God geloofde, antwoordde hij: “Ik hoop het”. Is geloven veel meer dan dat?

Nee, eigenlijk weet niemand precies wat er gebeurde toen, zo’n 2000 jaar terug op de 1e Pinksterdag. Maar het veranderde schuchtere geloofsleerlingen wel in vrijmoedige apostelen (d.i. ‘gezondenen’). Waardoor het werk van God, dat eerder door Jezus was ingezet, werd doorgezet in de ‘Handelingen’ dus van de apostelen.

Pinksteren is nog altijd het feest van de Geest. De Geest van God, die inspiratie geeft aan mensen, die van goede wille zijn, in navolging van Jezus. Mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, die handen en voeten willen geven aan de liefde van God. Dat is waarop ik hoop!

Evenals voorgaande jaren is de Sionskerk open tijdens de Skoattermerke op de 2e Pinksterdag. Open voor bezichtiging, voor stilte en voor bezinning. Of om gewoon te genieten van de creatieve uitingen van geloof en van hoop, gemaakt door de leden van de werkgroep Geloof en Creativiteit van onze gemeente.

De kerk als plek om op adem te komen, dat willen wij zijn. Een vindplaats van hoop te midden van de hectiek van het leven en tijdens de Pinkstermarkt. Laat je dan ook verrassen door de muziek op het orgel of door de mooie beelden op de beamer, ieder heel uur. Er zijn gastvrouwen en gastheren aanwezig om vragen te beantwoorden en om u of om jou te verwelkomen.

(Gepubliceerd in het Skoatter Doarpsnijs van mei 2018)

Seksueel misbruik

‘Seks is niets anders dan macht’, riep zij geëmotioneerd en diep verbitterd uit.
Ik raakte met haar in gesprek, een jonge vrouw nog, alweer een tijdje geleden. Ze was geen lid meer van de kerk. Ik was even stil. Geschrokken van haar reactie. Wat dáár niet allemaal achter zat.
‘Hoe bedoel je?’ probeerde ik heel voorzichtig. En toen kwamen de verhalen, van koning David tot Donald Trump en van Harvey Weinstein tot Tamar, die door Juda wordt verkracht.
En ook verhalen over verkrachtingen op de oorlogsvelden nu tot aan het seksueel misbruik door hulpverleners NB. Ja zelfs in de kerk komt het helaas voor.
En ze had gewoon gelijk, wat een ellende heeft seksualiteit niet allemaal voortgebracht.
Wat door de Schepper zelf als het meest verhevene, het meest intieme tussen twee geliefden, die niets voor elkaar te vrezen hebben, bedacht is, wordt maar al te vaak misbruikt om de ander de eigen wil op te leggen.
Of om de eigen innerlijke leegte en persoonlijke frustratie te verbloemen met iets wat voor liefde door moet gaan, maar het gewoon niet is.
‘De liefde zoekt zichzelf niet, zij is niet grof en niet zelfzuchtig’, zo lees ik in de Bijbel. Kom er eens om, in de praktijk.

De laatste jaren komen er steeds vaker berichten naar buiten over seksueel misbruik binnen de wereld van de showbizz, maar ook binnen de hulpverlening dus. Aangewakkerd door de hasjtag #Metoo op Twitter en andere sociale media die in oktober 2017 viraal (als een lopend vuurtje) ging. Wie #MeToo plaatst, geeft daarmee aan met seksuele intimidatie of aanranding te maken hebben gehad.

De schrik slaat je om het hart, bij het horen van al die verhalen. Dat het voorkomt, dat wisten we, maar dat het zó erg was. Overal waar van een afhankelijkheidsrelatie sprake is, daar ligt kennelijk seksueel misbruik op de loer. Laten we dat niet te licht opvatten. Het is gewoon verschrikkelijk! Want echte liefde zoekt zichzelf niet.
De ander is er niet om jou te plezieren, het werkt eerder andersom. Daarvan wil ik getuigen, ook binnen mijn werk, maar wel met het schaamrood op de kaken soms, met plaatsvervangende schaamte voor wat ook de kerk in het verleden en misschien nóg mensen aandoet of heeft gedaan.

Natuurlijk, tallozen proberen van Góds liefde te getuigen, met woord en daad. Door mensen een gevoel van geborgenheid te geven, ze daardoor innerlijk sterker en weerbaarder te maken. Niemand heeft namelijk het recht om over het lichaam van een ander te beschikken.
Je bent in wézen vrij, als mens! De Bijbel windt daar geen doekjes om, God staat eerder aan de kant van de slachtoffers, dan aan de kant van de daders. ’t Is maar dat je het weet!
Daarom is het goed als daders worden aangeklaagd en dat slachtoffers op onze hulp en op bescherming mogen rekenen, óók of beter voorál vanuit de kerk.
Omdat de enige macht die de kerk toekomt de macht van de liefde is. In alle bescheidenheid en eenvoud weliswaar, maar tóch. Met heilzame woorden en door middel van daden die voor zichzelf spreken. Daar wordt, als het goed is, niemand slechter van.

Op de website van onze gemeente: www.protestantsegemeenteheerenveen.nl vindt u meer informatie onder de zoekterm ‘grensoverschrijdend gedrag’. Ook kom je daar de namen en e-mailadressen tegen van de beide vertrouwenspersonen die namens ons zijn aangesteld.

(Gepubliceerd in 'De Kern' 13 april 2018)

Alles is politiek, maar politiek is ook niet alles.

Zou Jezus zich meer in het linkse of in het rechtse kamp van de politiek thuis voelen? Waar zou Hij 21 maart op stemmen?
Wie de boodschap van de Bijbel serieus neemt, dat wil zeggen, opkomt voor het milieu, zich om Gods goede schepping bekommert, opkomt voor de zwakkeren in de samenleving, voor de chronisch zieken en voor de kansarmen, die wordt al gauw voor links versleten.
Terwijl, wie diezelfde Bijbelse barmhartigheid vertaalt in de bescherming van het ongeboren kind, opkomt voor het gezin en voor een duurzame liefdesrelatie, die wordt door sommigen als rechts gezien. Links zou dan staan voor progressief, het wordt gelinkt aan maatschappelijke vooruitgang en aan verandering. Terwijl rechts dan zou staan voor conservatief, voor behoudend en voor het opkomen voor de eigen belangen. Maar is dat terecht?

Daarover gaat het in de politiek.
Een woord dat is afgeleid van het Griekse ‘politikos’, dat is ‘wat de burger betreft’. Het is ook verwant aan het woord ‘polis’, de Griekse stadsstaat in de oudheid. Politiek gaat dus over de welbewuste vormgeving, door de burgers, van de samenleving. Christelijke politiek laat zich daarbij, als het goed is, leiden door de boodschap van de Bijbel, zoals die vorm gekregen heeft in het leven van Jezus. Maar ja, wij leven inmiddels wel 2000 jaar later. De vragen van toen zijn niet meer de onze en andersom, niet altijd zijn de antwoorden van toen één op één toepasbaar bij de problemen waar wij nu mee kampen. Maar duidelijk is voor mij wel, dat iedere zichzelf respecterende geloofsgemeenschap, zich met de politiek moet blijven bemoeien.
Wanneer bv. de kansarmen niet meer worden opgemerkt, de zwakkeren niet meer worden gehoord en hulpbehoevenden vergeten worden.
Wanneer het milieu wordt bedreigd en de solidariteit tussen rijk en arm wordt verstoord. Of wanneer de vereenzaming hand over hand toeneemt, onder ouderen én jongeren.
Dan zal de kerk ook nu van zich moeten laten horen. Zoals de profeten dat destijds deden in de geschiedenis van Israël en zoals Jezus dat dus deed in zijn tijd.

Wat dus niet wil zeggen dat de kerk per definitie links is of rechts. De kerk is eerder dwars, omdat zij weet heeft van een ander rijk, een andere samenleving, zoals die God voor ogen staat.
Dat is het andere verhaal, het verhaal van Gód met mensen. En juist dat andere verhaal is de belangrijkste reden van ons bestaan.

Daarom, alles is politiek, maar politiek is wat ons betreft niet alles.
Een kerk die volledig opgaat in de politiek, daar te nauw bij betrokken is, die gaat erin ten onder. Of die wordt zelf een onderdeel van de macht. Maar aan de andere kant, wanneer de politiek geen boodschap meer heeft aan Gods verhaal, dat doet zij niet alleen zichzelf tekort, maar ook haar burgers.
De bekende Zuid-Afrikaanse predikant en strijder tegen de apartheid, Alan Boesak, zei het ooit nog scherper: ‘Een regering die de kerk aan het kruis nagelt, die zal zelf omvergeworpen worden door de opstanding’.

Ik ga dus stemmen op 21 maart, u ook?
Stemmen voor een barmhartige rechtvaardige samenleving, waarin een ieder tot zijn recht mag komen, klein of groot, kansrijk of kansarm, zwak of sterk, ziek of gezond. Hier geboren of van elders hier naar toe gekomen. Opdat er ook onder ons iets van Gods toekomst zichtbaar wordt.

(Geplaatst in het Skoatter Doarpsnijs van maart 2019)

Bijna goddelijk

De volgende anekdote speelde zich af, kort voor een trouwdienst, in het voorportaal van de kerk.
De dominee stond, samen met het bruidspaar, te wachten tot ze naar binnen mochten.
Om de tijd te doden of om de spanning te breken, zei hij tegen de bruid: “Wat zie je er prachtig uit”. Waarop de bruidegom uitriep: “Prachtig? Ze lijkt wel God zélf.” “Nou, dan wens ik je veel sterkte”, was de verbouwereerde reactie van de voorganger. Of het bruidspaar lang en gelukkig getrouwd is, dat vertelt het verhaal niet.
Maar hij zal er nog wel achter zijn gekomen, dat ook zijn vrouw een doodgewoon mensenkind is.

In het eeuwenoude Joodse liedboek, waaruit ook in de kerk nog gezongen wordt, de Psalmen genaamd, om precies te zijn in Psalm 8 lees ik: ‘Heer, onze Heer, hoe machtig is Uw naam op heel deze aarde. Wat is (daarbij vergeleken) de mens dat U aan hem denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet. Toch hebt U hem bijna een god gemaakt’. Weet de dichter van deze Psalm, die David wordt genoemd, dan niet waarover hij het heeft?
Bijna goddelijk? Hoezo?

“Mijn vrouw is een engel”, aldus Sam in één van de bekende Joodse grappen van Max Tailleur. Waarop zijn eeuwige tegenspeler Moos antwoordt: “Gelukkig leeft de mijne nog”. Dat bedoel ik maar, je moet niet overdrijven. Bijna goddelijk, maar hoe goddelijk is dat? En wat is bijna? Zo goed als of bij lange na niet?

Ovidius, een Romeinse dichter, vertelt een verhaal over Icarus, die op het eiland Kreta gevangen zit.
Om te kunnen vluchten maakt zijn vader vleugels voor hem, gemaakt van was en van veren. Zodat hij het eiland vliegend zal kunnen verlaten. “Maar”, zo geeft hij hem als waarschuwing mee: “Vlieg niet te laag, zodat je vleugels door het water te zwaar worden en vlieg niet te hoog, zodat de was door de zon zal gaan smelten”.
Maar Icarus geniet zo van zijn vrijheid, waardoor hij steeds hoger en hoger gaat, met als gevolg, dat zijn vleugels inderdaad smelten en hij neerstort in de zee.
Moraal van het verhaal: waar het een mens in de bol geslagen is, waar een mens in zijn eigen overmoed meent als God te zijn, overschrijdt hij de grenzen van zijn broze bestaan en gaat hij aan zijn eigen hoogmoed te gronde.

Bijna goddelijk ja, maar dat is wat anders dan als God zijn. Daar ligt meteen de uitdaging én de grens van onze eigen menselijke mogelijkheden. Het is ons inderdaad gegeven, te heersen over het bestaan. Om de aarde te onderwerpen, in cultuur te brengen naar eigen believen. Om de grenzen van het heelal te verkennen, met het leven te experimenten, al het mogelijke te onderzoeken. Je kunt die opdracht niet ruim genoeg opvatten.
Maar zodra wij ons daarbij als Godzelf gaan gedragen, dan gaan wij te ver.

Bijna goddelijk? Jawel, dat is wat de Bijbel zegt. Zo hoog worden wij door de Schepper aangeslagen.
Om te heersen over alles wat ons is toevertrouwd. Dat is feitelijk alles wat onze ogen zien en wat onze handen aanraken. Hij vertrouwt er blijkbaar op, dat de wereld bij ons in goede handen is.
Laten wij daar niet te gering over denken en dus ook nooit te gering denken over onszelf.

(Geplaatst in het Skoatter Doarpsnijs van januari 2018)

Heil en Zegen

Dat wensten wij elkaar aan het begin van het nieuwe jaar misschien wel toe.
Folle lok en seine, zo klinken diezelfde woorden in het Fries.
Anderen hielden het misschien bij ‘een gelukkig Nieuwjaar’ of ‘de beste wensen’ of zoiets.

Want je kunt niets zeker weten, want alles gaat voorbij.
Maar ik geloof, ik geloof, ik geloof, ik geloof, ik geloof in jou en mij.

Zo klonk kort daarvoor op de radio. Een nog altijd even indrukwekkend lied van Boudewijn de Groot. Dit jaar weliswaar gezakt van de 3e naar de 9e plek in Top 2000.
Een feest van herkenning, vijf dagen lang op Radio 2, tussen Kerst en Oud en Nieuw.
‘Maar het verleden geeft geen zekerheid’, zo voegt hij er in het tweede couplet aan toe.

Het Nederlandse woord zegenen komt van het Latijnse ‘signare’, dat is van een teken voorzien. Signeren zeggen wij, dat is ergens je handtekening onder zetten.
Heil en zegen is daarom inderdaad het beste dat wij elkaar toe kunnen wensen.
Omdat zegen in de Bijbel altijd met God te maken heeft.
Wat betekent dat de Eeuwige zelf Zijn handtekening onder jouw leven heeft gezet.
Zoals een ouderling van dienst aan het begin en einde van de eredienst door middel van een handdruk zich verantwoordelijk verklaart voor alles wat er vervolgens valt te beleven tussen ‘Votum en Zegen’ in de dienst.
Een goede voorganger is zich daar terdege van bewust.

Eén van de bekendste voorbeelden in de Bijbel van een gezegend mens is natuurlijk Abraham.
Een man die gezegend werd om zelf tot zegen te kunnen zijn voor anderen.
Het eerste is een voorwaarde voor het tweede, maar ook omgekeerd.
Wie zich niet verantwoordelijk voelt, wie zich niet in wil zetten, niet tot zegen wil zijn voor zijn of haar omgeving, die kan en zal Gods zegen snel vergeten.

‘Moge de Heer, dat is de altijd Aanwezige, moge Hij die er is u zegenen en u beschermen’. Zo staat het er in Numeri 6, vers 24. Dat is geen vrome wens, hopen op zomaar een gelukzalig gevoel. Maar een welbewust gekozen, gelovig uitgangspunt.
‘Moge de Heer het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, moge de Heer u zijn gelaat toewenden en u vrede geven’. Aldus, voor de volledigheid, het hele Bijbelvers.
Dat wensen wij elkaar en ook onszelf, aan het begin van het nieuwe jaar, van harte toe.

Ja, maak het maar persoonlijk, dat hoop ik ook te doen.
Na een jaar, dat in velerlei opzicht niet altijd even gemakkelijk is geweest, voor mij ook niet.
Maar ik geloof, ik geloof, ik geloof, ik geloof, ik geloof… - en Hij in mij!
Elkaar in Góds naam zegenen, dat is elkaar het beste toewensen, dat is een beroep doen op Gods aanwezigheid, die in jou is. Met minder hoeven wij het waarachtig niet te doen.

(Meditatie in De Kern van 19 januari 2018)

De lofzang gaande houden

Het verhaal of eigenlijk de legende speelt zich af in de tijd dat de Tsaren in Rusland een waar schrikbewind voerden over de arme bevolkingsgroepen. Vooral de Joodse minderheid had het zwaar te verduren.
Tijdens de wekelijkse eredienst op de vrijdagavond in de synagoge, als voorbereiding op de Sabbat, vroeg de dienstdoende rabbi aan zijn medegelovigen hoe het met hen ging.
De verhalen kwamen los. Over de meest verschrikkelijke vervolgingen, ziekte, vernedering, beledigingen, de honger en de kou die ze moesten doorstaan.
De rabbi was hevig verontwaardigd, hij onderbrak de dienst en zei:
“Ik neem het niet langer! Ik roep G’d zelf (gezegend zij Zijn naam) ter verantwoording en zal de dienst pas weer hervatten, als ik een redelijk antwoord van Hem gekregen heb”.

Hij ging vervolgens zitten en zweeg. De gemeente wachtte in angstige spanning af.
Maar er gebeurde niets, de uren gingen voorbij. Zwijgend zaten zij tegenover elkaar.
Uiteindelijk ging de rabbi staan en zonder wat te zeggen beëindigde hij de dienst op de gebruikelijke wijze, d.w.z. met de woorden van het zogenaamde Kaddisj, de grote lofprijzing, waar de eredienst in de synagoge regelmatig mee wordt afgesloten:

Geprezen, geloofd en verheerlijkt, hoog verheven en geroemd.
Bezongen en aanbeden worde de Naam van de Heilige, geloofd zij Hij.
Boven alle zegenspreuken, liederen en lofzangen boven elke troost.
die wij elkaar ooit in deze wereld kunnen geven. Amen.

Moraal van het verhaal: je zult nooit antwoord krijgen op je vragen en op je verwijten, op je aanklachten tegenover God. Eigenlijk kunnen we Hem alleen maar loven en prijzen.
Maar hoe doe je dat in vredesnaam, zo vragen wij ons af. Hoe kon het volk, dat zoveel ellende, eeuw in eeuw uit heeft moeten doorstaan. Hoe konden zij, hoe kunnen wij onder de meest uitzichtloze omstandigheden God nog altijd prijzen? Is het niet veel gemakkelijker, eerlijker misschien en wellicht ook veel gezonder om in dat geval luidkeels te protesteren?

Wel… de lofprijzing in de Joodse eredienst, heeft daar ook wel iets van weg.
Vergelijkbaar met het zingen van protestliederen als het ware.
Het is de weigering je neer te leggen bij de situatie, zoals die die voordoet. Omdat het volgens de dichters van de Psalmen vooral, net als voor de profeten van Israël trouwens en ook volgens de evangelisten van het Nieuwe Testament gewoon niet kán. Het kán niet waar zijn dat God mensen moedwillig onderdrukt of laat onderdrukken of van de honger om laat komen. Dat kán en hoeft niet waar te zijn. Waarom dan niet?
Omdat God zo niet is! God is anders, absoluut anders dan dat wij zijn.
Zijn aanwezigheid is niet te rijmen met wat mensen elkaar in deze wereld aandoen.
En dat moet je dan ook niet proberen te doen.

Zal er in het nieuwe jaar meer van God zichtbaar worden? Meer dan in het afgelopen jaar?
Zullen wij meer van Hem gaan ervaren, meer kracht ontlenen aan ons geloof?
Dat hangt er dus van af. Waar van af, zegt U? Wel, van de keuzes die wij in Gods naam maken.

Met zonder Jezus

Jeroen zijn opa was overleden en dat vond hij heel erg. Zijn allergrootste vriend was plotseling uit zijn leven verdwenen.
Een paar dagen na de begrafenis liep hij stilletjes de tuin in. De plek waar hij zijn opa zo vaak had geholpen.
Hij pakte een veel te grote hark uit de schuur, rommelde daar wat onhandig mee in het achtertuintje en probeerde, net als opa altijd deed, daarmee het onkruid te wieden. Maar dat lukte niet al te best. Hij wist niet zo goed hoe dat moest. Dat kon zijn opa altijd veel beter.
Zijn vader die al een tijdje naar Jeroen had staan kijken, roept vanachter het keukenraam: “Hé Jeroen, nu lijk je precies op opa”. Een mooier compliment had hij Jeroen niet kunnen geven.

Wij zijn alweer bij de 40ste dag na Pasen aangeland. Beter bekend als de hemelvaart van Jezus.
Het zal niet voor niets zijn geweest dat de evangelist Lucas aan dat getal veertig heeft gedacht.
Om zijn verslag nog geloofwaardiger te maken, in elk geval voor Joodse oren.
Veertig dagen was Mozes immers op de berg, voordat hij God zag. Veertig dagen was Elia in de woestijn, voordat hij de Eeuwige ontmoette en veertig dagen werd ook Jezus beproefd, voordat Hij in Gods naam met zijn werk op aarde begon.

Ze moeten het voortaan zónder Hem doen, de leerlingen van Jezus.
Na alles wat zij hebben meegemaakt. Ze kunnen Hem niet meer aanraken, hun handen niet meer op zijn wonden leggen.
Niet meer met Hem praten, eten, luisteren, spreken. dat is allemaal voorbij.
Ze moeten nu leren geloven zonder een tastbare herinnering aan Hem. Gaat dat ze lukken?

Je kent het wel, in ieders leven zijn er van dat soort momenten.
Dat je je er opeens bewust van wordt dat je het voortaan zélf moet doen.
Alleen naar school, alleen op kamers, alleen verhuizen, bv. naar een verzorgingshuis. Alleen, zonder degene die je zo lief was of zonder hem of haar van wie je al langer was vervreemd. Gaat me dat lukken, zo vragen ook wij ons dan wel eens af.

Ook dát is hemelvaartsdag, het heeft ook met afscheid nemen te maken.
Van loslaten en van losgelaten worden, van volwassen worden en op eigen benen staan.
Denkend aan het onroerende verhaaltje van Jeroen en van zijn overleden grootvader, komt bij mij wel eens de vraag op:
als mensen óns zo bezig zien in de tuin van God, zeg maar. Bezig zien in de kerk of in de wereld om ons heen, zouden zij dan ook meteen aan Jezus denken?

Nee, Jezus is niet meer, niet meer lijfelijk bij ons aanwezig. Wij wel, als zijn getuigen op deze aarde.
Het is dan ook niet voor niets, dat Jezus’ hemelvaart de inleiding vormt van het Bijbelboek, dat in onze vertaling ‘Handelingen van de apostelen’ wordt genoemd. Acts, volgens de Engelse vertaling.
Mensen als u en ik, een mens als jij, die door Jezus in beweging is gekomen, kan daarom niet stil blijven staan of zitten. Maar zal in de kracht van zijn Geest, op weg willen gaan, met zonder Jezus.
Veel Geestkracht daarbij toegewenst!

Voor wie alvast een inkijkje wil hebben in de dienst die dit jaar op Hemelvaartsdag in de Skoattertsjerke wordt gehouden, kijk hier voor de liturgie.



Vasten. Én bidden!

‘Wanneer je de hongerige schenkt wat je zelf nodig hebt en de verdrukte gul onthaalt, dan zal je licht in het donker schijnen, je duisternis wordt als het licht van het middaguur’. Aldus de profeet Jesaja, in hoofdstuk 58, het 10e vers.
Je kunt je voorstellen van dat zou betekenen voor onze samenleving, wanneer wij ons daaraan zouden houden. Dat zou pas écht een revolutie zijn. Maar het lijkt vooralsnog een illusie, een mooie droom, die haaks staat op de werkelijkheid. Voor de kerk echter, voor allen die Gods naam belijden, een gegeven mogelijkheid. De samenleving kán veranderd worden. Maar die verandering moet wel bij onszelf beginnen.

Daarover gaat het in deze tijd van het kerkelijk jaar, veertig dagen van voorbereiding op het feest van Pasen, een periode van vasten én van bidden, maar wat stellen wij ons daarbij voor? Er is een tijd geweest dat Protestanten een beetje allergisch waren voor dat vasten.
Misschien door wat zij er in de praktijk van zagen bij de buren. Verplichte versobering, dat wel, maar of God daar wel altijd mee gediend werd?
De laatste jaren zien wij de interesse groeien voor het vasten. Waar komt dat vandaan?
In de oude kerk werden op deze eerste zondag van de veertig dagen de nieuwe leden, die in de Paasnacht zouden worden gedoopt, alvast aan de gemeente voorgesteld. Daarna volgden dan veertig dagen van voorbereiding, een tijd die zij vooral vastend én biddend doorbrachten, als een soort oefening in Godsvertrouwen. Is dát het, waar het ons in deze periode ook om gaat?

‘Evenals het voor een mens onmogelijk is, om zijn gezicht te zien in troebel water, zo kun je God niet zien, zolang je geest niet is gezuiverd van vreemde gedachten en verlangens’. Aldus één van de kerkvaders, in een toelichting bij de veertig dagen.
Of om nogmaals de profeet Jesaja te citeren, even daarvoor in hetzelfde hoofdstuk 58: ‘Dit is het vasten dat Ík verkies: je brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt rondloopt, je bekommeren om je medemensen?
Dan geeft de Heer antwoord als je roept, als je dan om hulp schreeuwt, zegt Hij: hier ben Ik’.

Vasten én bidden dus. Ook volgens de Bijbel is het één niet los te zien van het ander.
Wie God wil zien, moet zijn geest zuiveren van vreemde gedachten en verkeerde verlangens. Matiging van spijs en drank gedurende veertig dagen kan ons daar inderdaad bij helpen. Maar voor veel mensen was en is dat echter de enige essentie van de vastentijd geworden.
En dat staat het hogere doel ervan, namelijk kritisch kijken naar je relatie, je contact met God vooral en de bezinning op je relatie met je medemens, soms in de weg.

Laten we daarom elkaar de maat niet meten over de manier waaróp we invulling geven aan de vastentijd. Of je nou wel of niet uit eten gaat, wel of geen wijntje drinkt of de chipszak wat vaker dichtlaat, die keus is aan jou. Voor de één zal soberheid een goed hulpmiddel zijn, een ander zal de PC of de TV wat vaker uitlaten en weer een ander zal meer ruimte maken in de agenda voor het omzien naar elkaar. Ieder mens is verschillend en ook de omstandigheden van de één zijn niet te vergelijken met die van de ander. Zolang de focus maar gericht is op het ruimte scheppen voor God, ook in jouw eigen leven. Wat ons betreft, op het leerling-zijn van Jezus. Immers, wie Jezus volgt, kan nergens komen waar God niet is.
En is het ons daar uiteindelijk niet om begonnen?

Over Jona en de vreemdelingen

Het verhaal van Jona, in de Bijbel, zet in met Gods bewogenheid met mensen. Bij hen die door hun medemens al waren afgeschreven. Toen was dat de stad Ninevé, de hoofdstad van het wereldrijk Assyrië, Israëls aartsvijand nr. 1, een godvergeten wereld, in de ogen van het vrome volk.
En schijnbaar hadden zij gelijk. Het was inderdaad ten hemelschreiend, wat er zich binnen hun grenzen afspeelde, maar het liet God blijkbaar niet koud. Zoals het Hem ook nú niet koud laat, wat er om ons heen gebeurt. Het grote aantal asielzoekers, de talloze vluchtelingen, mannen en vrouwen, voor de oorlog op de vlucht of die vervolgd worden om hun geloof of gewoon een betere toekomst zoeken voor hun kinderen. Ronduit verschrikkelijk.

Maar ook de haat en het verzet van een toenemend aantal burgers tem opzichte van al die wanhopige vluchtelingen, waarvan verreweg de meesten volledig te goeder trouw, die hier bij ons hun toevlucht zoeken.
En die nu door sommigen onbarmhartig over één kam worden geschoren met een aantal criminelen onder hen, die zich misdragen. Nee, ook dát laat Gd niet koud, de ontwikkelingen in de wereld laten Hem nooit koud.
Volgens de Joodse theoloog Levinas, blijkt uit het Bijbelboek Jona vooral, dat je ergens voor geroepen voelen én je persoonlijke voorkeuren en eigen interesses lang niet altijd hetzelfde zijn. Vaak gaat Gods bewogenheid daar vierkant tegen in.
Nee, de wereld wordt niet vanzelf gered. Daarvoor zijn bewogen mensen nodig.
Ik denk dan ook dat de bekering van Ninevé niet het eigenlijke thema is van dit Bijbelboek, waarover wordt verteld, maar de bekering van een eigenzinnige, onwillige profeet die de bewogenheid van God voor alle mensen nog steeds niet had begrepen.

Geef mij nu je angst…


En ik geef je er hoop voor terug.
Geef mij nu de nacht en ik geef je de morgen terug.


De angst is toegenomen, ook onder ons, na de afschuwelijke aanslagen en de aanhoudende terreurdreiging wereldwijd. En ik kan dat wel begrijpen. Het zál je maar gebeuren. Het kán je dus zomaar gebeuren. Hoe ga je daar in vredesnaam mee om?
De laatste weken komen bij mij steeds weer de woorden naar boven, die Guus Meeuwis ooit zong en die ik hierboven citeerde: Geef mij nu je angst en ik geef je er hoop voor terug. Maar waar is die hoop op gegrond?
Zo niet door hem bedoeld, maar het zouden zomaar woorden uit de Bijbel kunnen zijn? Want, zo getuigt de Bijbel, bv. in Jesaja 2: ‘Eens zal de dag komen dat de berg met de tempel van de HEER rotsvast zal staan. Dan zullen de volken hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal dan nog het zwaard trekken tegen een ander volk. Kom mee, laten wij leven in het licht van de HEER’.

Het is al wéér Advent. Evenals vorig jaar en het jaar daarvoor en daarvoor en daarvoor. Door hoeveel mensen vóór ons is al niet Advent gevierd?
Advent heeft met verwachten te maken, met uitkijken naar, maar waar wachten wij dan op?
Jesaja kijkt uit naar een wereld waarin de Eeuwige het voor het zeggen heeft. God, die geen oorlog wil, geen ziekte en geen pijn. Een wereld waarin de oorlog niet meer wordt geleerd en niemand meer bang hoeft te zijn. Het lijkt te mooi om waar te zijn, maar is het dat ook?
Verwachten is dat we ergens rekening mee houden, ergens op voorbereid zijn. Maar zijn wij dat? Zijn wij wel voldoende op Gods toekomst voorbereid?

Jesaja probeerde met zijn woorden het ontgoochelde volk weer nieuwe hoop te geven. Zoals ook Jezus dat later doet in zijn tijd. Door bv. te wijzen op een boom, in de winter kaal en ogenschijnlijk dood. Maar wie wat beter kijkt, zie al de voorboden van de nieuwe lente.
Zo doen ook wij? Terwijl de natuur aan het kortste eind trekt, de zon steeds langer achter de horizon verdwijnt, roepen wij alvast tegen elkaar dat er iets nieuws staat te gebeuren. Dat Gods koninkrijk komt. En daarom zingen wij liederen van verwachting die daar bij horen en spreken wij woorden van hoop. Natuurlijk, je moet er oog voor hebben. Én geloof, dat is vertrouwen. Gelóófsvertrouwen, dat moet worden gevoed, iedere week, iedere dag opnieuw. Ook daarom vieren wij Advent. Zodat wij met onverwoestbaar optimisme kunnen blijven uitkijken naar Gods nieuwe tijd.
Natuurlijk is het goed te begrijpen dat onze angst wordt gevoed door al die verhalen over die afschuwelijke terreuraanslagen en bedreigingen die het nieuws bepalen. Maar juist dán is zaak om ook onze hoop te blijven voeden. Daartoe roept ook Jesaja ons op. ‘Kom mee, laten wij leven in het licht van de HEER’, is wat hij zegt. Dat maakt je innerlijk sterk. Het helpt je om niet bij de pakken neer te gaan zitten, maar om iedere keer weer en telkens opnieuw de weg te gaan, die ons door Christus wordt gewezen.
Een hele goede, inspirerende en bovenal gezegende Adventstijd wensen wij elkaar toe.

Het houdt niet op. Niet vanzelf.

In Nederland worden jaarlijks een miljoen mensen slachtoffer van huiselijk geweld. Tussen de 200.000 en 230.000 personen hebben zelfs te maken met ernstig of herhaald geweld, gepleegd door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer. Het gaat daarbij om partners, ex-partners, gezinsleden of familieleden. Er is bij huiselijk geweld meestal sprake van een machtsverschil: het slachtoffer is afhankelijk van de dader. Het geweld kan zowel lichamelijk, als seksueel of psychisch zijn. Kíndermishandeling komt daarbij in Nederland meer dan 119.000 keer per jaar voor. Dat betekent dat gemiddeld in iedere schoolklas van dertig leerlingen één kind zit dat wordt mishandeld. Ook dát kan lichamelijke of psychische mishandeling zijn, maar ook verwaarlozing of seksueel misbruik.
(bron: http://www.vooreenveiligthuis.nl/

Nee, de feiten liegen er niet om. Het heeft lang geduurd voordat er openlijke aandacht voor was, maar daar komt de laatste jaren gelukkig verandering in. De gevolgen voor met name kinderen zijn groot. Op korte termijn o.a. eenzaamheid, geïsoleerd raken, omdat je geen vriendjes of vriendinnetjes mee naar huis durft te nemen. Concentratieproblemen op school, gedragsproblemen enzovoorts. En op langere termijn, weglopen van huis, ernstige depressies, vluchten in overmatig drankgebruik en/of andere drugs, relatieproblemen, agressief gedrag, kortom: het is heel erg! Maar weet u wat óók erg is, dat het soms met de mantel der liefde werd (wordt) bedekt, zelfs tot ín de kerk. Dat je jouw verhaal zelfs dáár niet kwijt kunt, geen verhaal kunt halen, omdat je niet serieus genomen wordt.
Toen een 14 jarig meisje eindelijk het lef had bij de pastor aan te kloppen en hem vertelde over het jarenlange misbruik thuis van haar en van haar zusje, kreeg ze de wind van voren. Haar vader was immers een door velen zeer gerespecteerde en gewaardeerde man.

‘Laat uw liefde oprecht zijn. Verafschuw het kwaad en wees het goede toegedaan’, zo houdt de apostel Paulus de gemeente voor in Romeinen 12.
Meer is het niet, maar ook niets minder. Huiselijk geweld valt op geen enkele manier te rijmen met de liefde, laat staan met Góds liefde, die Hij ons in Christus heeft laten zien. Gelovigen beseffen dat als geen ander, als het goed is. Maar vaak ís het niet goed. Vaak zit het niet goed tussen ons of zit er iets niet goed in onszelf. En dan is het goed erover te praten. Want het houdt in veel te veel gevallen niet op. Niet vanzelf!

Wat nu te doen? Wel, er over praten helpt, want dat zet iets in gang. Dat kan moeilijk zijn, maar als je niks doet, verandert er ook niks. Er zijn bovendien goeie hulpverleners die gespecialiseerd zijn in huiselijk geweld. Zij weten waar je terecht kunt voor hulp en advies. Op genoemde website van de rijksoverheid staat een gratis telefoonnummer dat je kunt bellen, dat is 0800-2000. Maar ook een vertrouwelijk gesprek met de eigen huisarts of met een predikant of pastor kan natuurlijk ook. Maar hebben die dan geen ambtsgeheim? Jazeker, daar mag je van verzekerd zijn, dat een geheim bij hen veilig is. Maar over misbruik en andere vormen van huiselijk geweld, daarover mogen we niet zwijgen. Zeker niet binnen de kerk! De gemeente van Christus dient te allen tijde aan de kant te staan van het slachtoffer. Te vaak is dat in het verleden níet gebeurd, met alle gevolgen van dien.

Hoe moet het verder met de Protestantse Kerk in Nederland?

Het landelijk bestuur van onze kerk heeft gemeend een grootschalige enquête te moeten houden onder alle leden. De uitslag daarvan moet hen ‘meer inzicht geven in de wensen en de verwachtingen van de gelovigen’. Wat je daar verder ook van kunt vinden, misschien dat er al veel eerder geluisterd had moeten worden naar wat er leeft in het land. Voor wie de enquête in wil vullen, zie deze link.


Ik kreeg onlangs een droom toegespeeld van iemand die ook hart heeft voor de kerk. Niet de kerk als instituut, maar als beweging, in navolging van Hem die het ons heeft voorgeleefd.

Ik droom van een kerk die niet op slot zit
waar mensen binnen kunnen lopen, waar mensen elkaar niet beoordelen
waar niemand meer of minder is
een kerk die open staat voor uitdagingen en waar wordt aangepakt wat beter kan
een kerk waar jong en oud een open oor hebben voor elkaar
Ik droom van een kerk waar mensen niet op slot zitten
- veilig achter de dikke muren van vroeger –
waar de ramen ogen zijn om te zien wat buiten gebeurt
en waardoor buiten naar binnen kan kijken,
een gemeente die niet op slot zit, maar open naar de wereld,
gastvrij, hartelijk, vol liefde voor wie in nood zijn.
Ik droom van een kerk waar God niet is opgesloten in dogma’s en vastgeroeste tradities
maar waar de mensen vertrouwen dat Hij ons voorgaat door de tijd.
Waar mensen aanbidden met hart en ziel en plannen smeden voor diaconaal leven.
Een kerk die leeft, omdat Hij leeft, die zelfs door gesloten deuren tot ons komt.
Een kerk waar je thuis komt, altijd weer.

En toch preken…

Opnieuw werd het nieuws rood gekleurd door de zoveelste aanslag van waanzinnige extremisten, die zonder hoop en zonder uitzicht, maar vooral zonder liefde, menen door dood en verderf te zaaien hun God te kunnen dienen.
Allah akbar, riepen ze, dat is: God is groot. Maar hun zielig ben je, wanneer je niet begrijpt hoe klein en kwetsbaar God zich heeft opgesteld in deze wereld. O God laat de wereld toch zien wie U werkelijk bent!

Traditiegetrouw staat zondag 11 januari (in kerkelijke termen, de 1e zondag na de Epifanie) de doop van Jezus weer op het rooster. Een veelbelovend verhaal. Een verhaal dat mij de moed geeft om door te gaan met preken of zoals ik het meestal omschrijf, om door te gaan met verkondigen. Want zo is God, een God die ik in Jezus heb leren kennen als Iemand die ons opzoekt in onze schuld, die oprecht met ons bewogen is en daarom wil delen in het smerige doopwater van alle mensen die opnieuw willen beginnen. Niet om te oordelen is Hij gekomen, maar om te dienen. Hij werd één van ons.